De kleine dingen

Barbara de Zoete, nauw betrokken bij Nijkleaster, loopt het Jabikspaad. En dat is een wonder, vertelt ze in haar verhaal. Over bijzondere ontmoetingen, tegenslagen, doorzetten en klein geluk.

door Barbara de Zoete

In een onbewaakt ogenblik klapt de stormparaplu van de Aldi om en twee baleinen knappen tegelijk. Ik ben al zo doorweekt dat ik het nalaat om mijn poncho dan maar aan te trekken. Ik controleer wel de regenhoes van mijn rugzak want ik wil vannacht absoluut droog slapen. Die hoes is in orde.

Zojuist werd ik bij een brug de overgang geweigerd. Hoewel de brug er lag in vrijwel ongeschonden staat, liet de man die er werkte me er niet langs. De leuningen zijn eraf. Er zijn scherpe dingen. Machines rijden af en aan, gaf hij aan. Om moest ik. Een omleiding voor alle verkeer van zo’n elf kilometer. Wanhopig zocht ik op de kaart naar mogelijkheden om die afstand belangrijk in te korten. De zeventien kilo op mijn rug deden zich gelden. Elf kilometer om, in de aanhoudende zware miezer… Daar zag ik echt geen brood in.

Ik ben gaan lopen zonder te weten of ik het dorpje Ried weer terug zou zien. Ongemerkt begon ik mijn ademhalingen te tellen. Een diep ingesleten Zengewoonte die mij kalmeerde. De eerste dag en alles liep volstrekt anders dan verwacht.

Ik vergat de stempelposten. Ik vloekte af en toe tegen het weer. Vooral toen een windvlaag mij op m’n knieën dwong in de vette klei. Ik ervoer ongemak in mijn doorweekte schoenen. Ik nam me voor in Franeker te geraken en daar nog één stempel te vinden. Dat moest toch lukken? Misschien een hotel om warm te worden en mijn kleren te kunnen drogen. Het was door de week. Midden september. Er zou toch wel ergens een hotelkamer vrij zijn? Met een douche? Een douche, aah! Mooi verlangen.

De Tourist-info is dicht tegen de tijd dat ik die heb gevonden. Het eerste hotel dat ik vond, had geen kamers meer vrij. Het tweede gebeld en ook daar nul op het rekest. U bent net te laat, mevrouw, klonk het vriendelijk. Ik dook onder de hoes van mijn rugzak en zoek op de telefoon naar stempelposten en dan maar een camping.

De stempelposten verloren opnieuw mijn aandacht. De camping, die was belangrijk. Net ten zuiden van het spoor vond ik er één met Plaats zat!, volgens de vrouw die de telefoon beantwoordde. Op mijn vraag of er ook een trekkershut is, omdat ik dolgraag droog zou willen liggen, bleef het even stil aan de lijn. U kunt bij ons in de schuur slapen. Lijkt u dat wat?, vroeg ze me. Ik zei ja.

De inventieve mensen van de camping maakten tussen de reusachtige landbouwmachines een ruimte vrij. Een dekzeil en paardendeken tegen de droge modder en mest die op de betonnen vloer lagen als een egale, stoffige laag, prachtig taupe van kleur. Eerder was ik tijdens de worsteling tegen de wind in al geslipt in de klei die in de lopende bietencampagne van Friese suikerbieten was gedropen. Één knie, schoen en mijn muts waren grijzig en roken naar zeebodem. Dat de klei en mest nu opnieuw mijn kleren en rugzak bereikten, maakten me opeens helemaal niet uit. Ik hing mijn natte goed te drogen. Ik pompte mijn bed op, maakte het op, douchte en ik trok me terug tussen meters hoge wielen en machines met hele scherpe gereedschappen er aan. Klei, mest. En diesel. Dikke, ronde dieselgeur. Ik viel onmiddellijk in slaap.

Af en toe kwam een andere campinggast de schuur binnen. In de verste hoek ervan was een natte cel gebouwd. De douche en WC’s werden gebruikt uiteraard. De fietsenstalling was ook binnen. En tot mijn verwondering werden de fietsen ook gebruikt. Ik werd er steeds kort wakker van, en glimlachte dan om mijn staat van zijn op dat moment.

Regen raasde over het grote dak en wekte me. In mijn ooghoek bewoog iets. Een muis die op mijn worst en noten afkwam? Ik klikte het licht van mijn hoofdlamp aan en richtte. Ach, een baby-padje! Twee centimeter groot. Bevroren in de lichtbundel die ik op hem liet schijnen. Ik babbelde wat tegen hem aan alsof hij mijn hond was. Het duurde lang voordat hij weer bewoog. Ik was inmiddels klaar wakker.

Ik rommelde wat in mijn rugzak voor wat lekkers. Chocolade, cruësli. Even een paar happen, want ik had niet gegeten in de avond. In het licht van mijn lamp vlamde het goud op de rug van mijn zakbijbeltje op. Jij blijft de volgende keer thuis, mopperde ik op die extra grammen papier. Sorry God, maar Je loopt toch wel met me mee, besloot ik.

Laat werd ik wakker. Acht uur toch zeker. Maar ik had geen haast. Easterlittens, wat ik nog moest leren uitspreken, was m’n doel. Net geen veertien kilometer van hier. Het weer van de dag was bijzonder vriendelijk. Alle neerslag en grauwheid en harde wind leken nooit gebeurd. De zon droogde het laatste vocht van gisteren uit mijn jas en schoenen. Terwijl ik daar op zat te wachten, vroeg ik me af hoe ik deze reis aan koffie ging komen. Je ontdekt heel gauw wat je belangrijk vindt op zo’n tocht. Lust u koffie?, vroeg de vrouw van de camping mij. Oeh, heel graag!, reageerde ik. Tevreden dronk ik haar koffie op voor ik weer op pad ging.

Een man passeert mij op de fiets. En spreekt mij aan. Je ziet er uit of je koffie lust, zegt hij. Als je bij de bewegwijzering rechts gaat in plaats van links en dan naar nummer elf loopt, heb ik koffie voor je! Als ik nummer elf betreed, zitten man en vrouw aan tafel in de keuken. Ik doe mijn rugzak af en schoenen uit en loop door. Dampende koffie met taart! Wauw, hoe dan? Ik zeg de mensen dat ze gewoon Fries kunnen blijven praten en dat vinden ze leuk. Ze testen me met een paar dingen die ik niet weet natuurlijk. Boeven.

Even later vertel ik in antwoord op hun vragen. Ik vier dat ik ongeveer een jaar geleden weer een beetje kon lopen na een lelijke beenbreuk, zeg ik. Mooi, zegt de vrouw, Ik vier dat ik een jaar geleden mijn laatste chemo had tegen borstkanker. Ik ben met stomheid geslagen. De pijnlijke teen die mij begint lastig te vallen, is alle aandacht kwijt. De vrouw vertelt van moeheid en gelatenheid. Boosheid en angst. En opluchting en de diepe liefde voor het leven zoals zij dat nu kent.

Ik ga verder. Ik moet verder. Even verderop kan ik een stempel halen voor in mijn pelgrimspas. Ik hoor de wulkschelp die aan mijn rugzak hangt in het ritme van mijn stappen tegen een holte in mijn pack tikken. Dat geluid stelt me gerust. Alles is goed.

Regelmatig spreken mensen mij aan. Een oudere dame met een hondje. O, ze mag je!, constateert ze. En we praten wat. Een vrouw die in de tuin werkt met een door huidkanker weggevroten gezicht. Ik kan aan haar ogen zien dat zij vanbinnenuit kijkend dat niet ervaart in het leven van alle dag en hou prompt van haar. Een man die loopt met de teckel van zijn dochter. Wat is hij trots op die dochter! Twee jongens op de fiets ‘Je hebt een tent op je rug!’ en ik zwaai en grijns.

De stempelpost ligt net buiten de route. De mensen die hem bemannen zijn Friezen. Van die echte. Praat maar Fries!, nodig ik ze uit. De man, boer, tegen de tachtig, vertelt over zijn bedrijf en hoe dat ontwikkelde. Vroeger melkvee. Nu droogvee. En minder vee. En land. Hij heeft land verpacht aan anderen. En ook wel verkocht, zegt hij met lage ogen. Zijn vrouw dementeert. Zij herhaalt haar verhaal over haar oudste zoon nu voor de vierde keer. De man drukt haar schouder liefdevol en schenkt nog wat koffie in. Er komen grote koeken bij. Heerlijke, harde koeken met chocolade er in. Ik moet me echt loswrikken uit de prachtige keuken waar ik zo welkom in werd ontvangen en loop langs de houten klompen weer naar buiten.

De camping in Littens is inmiddels op de hoogte dat ik kom. Ik merk dat ik moeilijk loop en een beetje misselijk ben. Eerst wil ik een stempel halen en dan naar de camping, maar het restaurant dat de stempelpost is, blijkt dicht. Weet je, dan ga ik hier toch vanavond eten? En een stempel halen.

Op de camping blijkt dat ik mijn hangmat en uitrusting tussen de houten speeltoestellen mag hangen. Nadat er nog even gras is gemaaid. De man van de camping loopt met z’n hand in het verband en maait niet zelf. Gisteren heeft hij met die maaimachine zijn vingers er bijna afgesneden, vertelt hij mij later. Eenmaal beschikbaar is mijn plekje voor de nacht zo ingericht. Voor mij had een kanoër dat ook zo aangepakt op die plek. Prima oplossing. Als alles hangt loop ik naar het pavelioen voor thee met wat lekkers.

Auw, m’n voet.

Het restaurant is een feestje! De stempel heb ik in elk geval te pakken en een fantastische maaltijd ook. Met een voldaan gevoel ga ik naar huis. Strompelend, dat wel. Wat is er toch met die voet?

De volgende ochtend word ik niet voor negen uur wakker. Het eerste dat ik doe is mijn voet controleren. Wat eerder een blaar was, ontstaan in de drijfnatte wandeling van woensdag, de eerste dag, is nu een gat. Een krater met vocht, bloed, rood vlees. Oehoeh… Dit ziet er beroerd uit. Wanneer ik mijn voet in mijn schoen doe, trekt er een golf van misselijkheid door mij heen. Onloopbaar dit. Ik slik en halstarrig probeer ik nogmaals. Maar tijdens het wegruimen van mijn spullen wordt me duidelijk dat ik in elk geval vandaag niet loop. Zo’n blaartje! Het kleinste ongemak dat een mens kan oplopen op een muggenbult na. Het zal toch niet…

Sietske Visser komt me redden. Ze haalt me naar Jorwert en brengt me naar een huisarts. En overtuigt me dat het verstandiger is in bed te slapen dan in een koude kerk, waar ik van gedroomd had! Ik voel de tranen branden, maar besef dat dit niet anders kan. Tegen de arts had ik opgemerkt, toen het felle onderzoekslicht op mijn voet scheen “Wow, ik doe al heel wat jaren aan meditatie, maar ik heb nog nooit zo ver bij mijzelf naar binnen kunnen kijken als nu!”

Ik logeer bij Hinne en Sietske en de andere ochtend weet ik dat dat het beste was wat ik kon doen op dat moment. Het eerste zaterdagochtendgebed van Nijkleaster sluit ik bij aan en ik voel me intens gelukkig.

Om een misverstand word ik wat later opgehaald door een goede vriendin dan ik had verwacht en ik zit op de trappen van de Redbadtsjerke in de zon. Te wachten. Mijn rugzak op de grond. Mijn pelgrimsstaf er tegen aan. Het is open-monumentenweekend. Talloze mensen passeren mij op de trap. En veel ervan spreken me aan. Over pelgrimages, over de wens dat ooit nog eens te doen, over het prachtige zonlicht op het kleine kerkje in Jorwert. Vol ongeloof zie ik ook nog oudbekenden uit Gouda uit een auto komen. We praten bij.

De volgende ochtend word ik thuis wakker, met mijn hond onder het dekbed nog slapend. Ik raak ontroerd door de eenvoud van het geluk. Ik weet me gezegend door de talloze kleine dingen en mensen die ik voorbij ging en hoe we elkaar raakten. Er rollen wat tranen op mijn hoofdkussen.

Ik sta op en koop andere wandelschoenen. April, here I come!

Comments

  1. Met volle teugen en opgeslorpte aandacht genoot ik van je wandel ‘bedevaart’ avontuur Barbara.

    Heerlijk om dat lezend te mogen meemaken.

    Veel herkenning in wat je onderweg tegenkomt van je zelf en in ontmoeting met anderen.

    Ontroerend hoe zware ervaringen lichtheid en dankaarheid brengen.

    Dank je wel voor het delen Barbara.

    Hartelijke groeten ??

    Jos de Vries Spaans
    Hilversum
    aandachtcentraal.nl

Speak Your Mind

*